NL EN
PhD'ers bijten niet
Serie

PhD'ers bijten niet

Wanneer je er eenmaal voor hebt gekozen om te gaan promoveren, kan het onverstandig zijn hier zomaar in te rollen.

In het eerste deel van dit artikel over het behalen van een PhD is uitgebreid gesproken over de keuze zelf. De weg ernaar toe en de (voorgenomen) vier jaar van je leven die je hieraan besteed, kunnen vervolgens heel verschillend uitpakken.

Natuurlijk hoeft jouw ervaring niet te worden zoals die van de voorbeelden in dit artikel van Folia, maar de statistieken liegen niet. Zo heeft het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) vorig jaar een rapport uitgebracht waarin zij aangaven dat 60% van de promovendi een hoge werkdruk ervaart en maar liefst 40% burn-outklachten ontwikkelt. Je kunt je afvragen of dit een normaal onderdeel is van het promoveren, of een uit de hand gelopen standaard waar moeilijk tegenin te vechten valt. Gelukkig heeft de Universiteit Leiden zowel een ‘vertrouwenspersoon promovendi’ als een ombudsfunctionaris waar je terecht kan bij problemen of onzekerheden.

Daarnaast komt vertraging bij ruim een derde van de promovendi voor. In een rapport van het Rathenau instituut worden hier verschillende oorzaken voor genoemd (Figuur 1), maar wat opvalt is dat vertraging vaker voorkomt bij promovendi die geneigd zijn individueel te werken en weinig contact te hebben met hun begeleiders. Ik spreek wederom met Veerle Luimstra over haar tijd als PhD’er en hoe je dit het beste kunt aanpakken.

Part II EN Figure 1
Uit het rapport 'Promoveren in Nederland' (2014) van het Rathenau Insitituut

De weg ernaartoe

Een goede voorbereiding zou al kunnen beginnen tijdens je bachelor. Een van mijn eigen twijfels ging vooral over het doen van stages. Wil je die gebruiken om alvast te specialiseren, of zijn die de ideale manier om jouw eigen plekje te vinden? “Volgens mij hoef je geen specialist te zijn voordat je begint aan je PhD. Tegen mij is nooit gezegd ‘je had geen focus’ of ‘je bent echt all over the place’.” Veerle heeft haar eerste ministage op Curaçao gedaan toen ze nog dacht dat duiken haar toekomst zou worden. Na een stage in de ecologie kwam ze uiteindelijk terecht in de biotechnologie. “Hier maakte ik een biobatterij van algen, waarna ik voor het eerst had dat ik echt dacht ‘hey, dit is leuk’. Ik denk echt dat je je opleiding moet gebruiken om je ei te vinden“

Tijdens die stages, of zelfs daarvoor al, kun je proberen contact te leggen met PhD’s om een beeld te krijgen van wat zij doen of hoe de sfeer in een onderzoeksgroep is. Het is niet voor iedereen vanzelfsprekend om die drempel over te gaan, maar Veerle denkt dat je dit gewoon moet doen: ‘Bij de meeste universiteiten is iedereen heel benaderbaar. Je kan bijvoorbeeld naar iemand toelopen en vragen of je een dagje mee kan lopen. Of je post een oproep in een universiteitskrantje, verzin iets geks! De meeste PhD’s zijn namelijk dol op wat ze doen en het onderwerp van hun onderzoek, dus dat vinden ze alleen maar leuk.’

Het kiezen van je uiteindelijke plek

Dit netwerken kan je helpen met het vinden van een goede plek die bij jou past. ‘Netwerken lijkt zo’n eng woord.’ beaamt Veerle. ‘Alsof je wildvreemden random gaat opbellen als een soort telemarketing. Maar dat is het niet. Je vraagt gewoon of iemand een keer wilt vertellen wat diegene doet, of legt jouw twijfels over hun vakgebied uit en of ze toevallig weten waar je bij zou passen.’

De onderzoeksgroep waar je uiteindelijk bij terechtkomt is namelijk heel bepalend voor het hebben van een leuke tijd. Iedere groep heeft een andere sfeer, doet andere dingen samen of juist helemaal niet. ‘Volgens mij is een goede band met je begeleider minstens even belangrijk als het vinden van een goed onderwerp. Je kunt tijdens het gesprek al nagaan of je op dezelfde golflengte zit. Je zit vier jaar met elkaar opgescheept en moet in die tijd een vertrouwensband opbouwen, zodat je het gevoel hebt dat je bij diegene terecht kunt wanneer je vragen hebt. Als je denkt het niet te kunnen vinden met je begeleider, doe het dan ook niet.’

Vrijheid in onderzoek

Een ander ding waar promotietrajecten erg in kunnen verschillen is in hoeverre je de vrijheid hebt om dit in te delen. Afhankelijk van waar de financiering vandaan komt is de onderzoeksvraag al uitgewerkt in een voorstel. Vaak leveren de professoren dit voorstel zelf in. Wanneer ze het geld dan krijgen toegewezen, plaatsen ze vacatures voor promovendi. Binnen het onderzoek kan je vervolgens de invulling van experimenten en dergelijke wel zelf regelen.

‘Het is dan nog maar de vraag of je zoveel vrijheid wilt hebben. Er zijn mensen die echt weten wat ze willen onderzoeken en het van scratch op kunnen zetten. Persoonlijk ben ik niet zo creatief dat ik een heel eigen onderzoek op zou willen zetten. De vraag stond al vast in het voorstel, waarna ik na kon denken over de inhoud. Oke, welke experimenten moet ik dan doen? Hoe gaan we dit invullen? Dat vond ik zelf heel fijn. Ik ken ook mensen die uiteindelijk hun promotie niet afgemaakt hebben omdat ze alle kanten op gingen en geen richting hadden. Ze hadden een heleboel losse flodders onderzocht maar konden er niet één stuk van maken. Je moet dus heel goed aanvoelen wie je bent en waar je je comfortabel bij voelt.’

Hoe om te gaan met de hoge werkdruk

Wanneer je eenmaal je plek hebt gevonden en aan de slag kan gaan met je onderzoek, lijkt het best mogelijk dat je overwerkt kan raken of hier tegenaan komt te zitten. ‘Ik heb ook wel klachten gehad, maar ben er zelf op tijd bij geweest. Je bent je eigen ergste vijand wat dat betreft, dat moet je heel erg goed in de gaten houden.'

Het kan erg makkelijk zijn om te zeggen dat zwaar werk er nu eenmaal bij hoort. ‘Ik denk zelf dat het type mens dat een PhD gaat doen misschien wel gevoeliger is voor een burn-out.’ zegt Veerle. ‘Het zijn vaak perfectionisten die stelselmatig hun eigen grenzen negeren. Laat een promotieplek daar nou de ideale omgeving voor zijn. Wetenschap is nooit klaar. Ook al zou je 24 uur per dag bezig zijn met experimenten, dan kun je er nog een paar bedenken die interessant zouden zijn. Het komt alleen je creativiteit niet ten goede, dus werkt het averechts.’

Stel je maar voor wat er productiever is: Iemand die zich de naad uit werkt en daarna crasht, of iemand die een paar tandjes lager werkt maar wel stabiel blijft. ‘Dat is een misvatting van sommige professoren die daar zelf voor gekozen hebben, maar in andere omstandigheden zitten,’ volgens Veerle. ‘Zij hebben opofferingen gemaakt om hogerop te komen, niet alleen van zichzelf maar soms ook van anderen. Die cultuur is voor mij ook een reden geweest om niet verder te gaan in de academische wereld. Dat wil niet zeggen dat je er niet kunt komen hoor, mijn begeleider was een hele aardige professor.’

Dat is precies waar de universiteit een rol in zou moeten spelen. ‘De moeilijkheid is dat de werkdruk erg hoog ligt. Hoge verwachtingen, prestatiedruk tegenover je collega’s en natuurlijk de publicatiedruk. Begeleiders en promotoren zijn zelf ook heel druk en hebben soms geen tijd voor goede begeleiding. Soms sta je er dan echt alleen voor.’ De Correspondent heeft een uitgebreid artikel geschreven over onder andere de gestegen werkdruk. Hierin zie je bijvoorbeeld dat de hoeveelheid promoties per hoogleraar per jaar de afgelopen tijd is gestegen.

Om dit te voorkomen wordt er aan het begin van je promotie een Opleidings- en Begeleidingsplan (OBP) gemaakt. Bij Veerle is deze helaas van tafel geveegd omdat haar onderwerp compleet veranderde. ‘Toen had ik dus eigenlijk zelf achter een nieuw plan aan moeten gaan. Je moet stevig in je schoenen staan om je begeleiding op te eisen of achter wat je nodig hebt aan te gaan. Maar niet iedereen heeft een even goed gevoel voor wat ze precies nodig hebben om hun problemen op te lossen.’

Uiteindelijk doe je een PhD voor jezelf. De opofferingen die je maakt, maak je dus ook voor jezelf. Dat mensen in een andere positie iets van jou verwachten, hoeft niet te betekenen dat het redelijk is in jouw situatie. ‘Denk aan iemand die kinderen zou willen hebben. Misschien is het voor je begeleider vanzelfsprekend om deze bij een oppas te droppen, maar wil jij toch wat meer tijd doorbrengen met ze. Dat is toch echt jouw eigen keuze.’

Als belangrijkste tip legt Veerle uit: ‘Ik zou er echt vanaf het begin voor zorgen dat je die balans houdt. Want door het gebrek aan balans in je leven komen die psychische klachten natuurlijk tevoorschijn. Iedereen kan wel pieken - de een langer dan de ander - maar weinig mensen denken eraan om daarna te genieten van dat dal. Eigenlijk moet je na een paar weken van overuren gewoon die uren als vakantie opnemen, klinkt logisch toch?’

Ontwikkeling tijdens je PhD

In het vorige artikel werd al even gesproken over het doen van een tijdsmanagement cursus. Volgens Veerle is dit dan ook iets wat je echt aan het begin moet doen. ‘Ironisch genoeg wilde ik dit in mijn laatste jaar doen, maar kon ik er geen tijd meer voor vrij maken.’

Bepaalde vaardigheden die je tijdens dit soort cursussen leert zijn ook nodig voor je latere loopbaan. Uit het rapport over Promoveren in Nederland blijkt dat er weinig aandacht is in promotietrajecten voor niet-academische carrièremogelijkheden en het ontwikkelen van meer algemene vaardigheden (zie ook deze publicatie). Het is dus verstandig om goed op te letten wat je al kan en waar je nog iets bij zou kunnen leren. Wanneer je hier de tijd voor vrijmaakt en leert je grenzen te kennen, zul je je PhD af kunnen ronden met een goed gevoel en een rijk palet aan ervaring. Succes!


0 Reacties

Geef een reactie